De onafhankelijke ombudsman en het goed gebakken journalistieke brood

De Ombudsman is geen rechter. Na een bevinding volgt geen straf, schorsing of boete. De Ombudsman is ook geen politieagent die mensen op fouten betrapt, of een scheidsrechter die kaarten uitdeelt. Toch lijken sommige klagers, instanties en zelfs omroepen dat wel zo te zien. En geef ze eens ongelijk, als anderen de onderzoeken van de Ombudsman dreigen te gebruiken om maatregelen te nemen.
Vooropgesteld: wat derden doen met uitspraken van de Ombudsman is aan henzelf. De Ombudsman gaat daar niet over en we hebben er strikt formeel ook geen opvatting over. Maar over de mogelijke gevolgen daarvan voor het eigen werk en de gesprekken met het publiek en de omroepen heeft de Ombudsman wél een opvatting.
Een goed gesprek over een journalistiek broodje
Het belangrijkste gereedschap van de Ombudsman is het gesprek: met een redactie én met het publiek. De Ombudsman is de brug tussen beiden wanneer er een verschil van inzicht bestaat over journalistieke verhalen bij de publieke omroepen. De Ombudsman legt de vragen van het publiek voor aan de omroepen en moedigt hen aan om daar transparant op te antwoorden. En om eventuele fouten recht te zetten, erop te reflecteren en ervan te leren.
De Ombudsman is een warm pleitbezorger van openheid over de werkwijze van redacties. Het publiek heeft er belang bij te weten hoe de bakker zijn brood bakt: om zeker te zijn dat het eindproduct niet alleen smakelijk is, maar ook goed voor de gezondheid. Het journalistieke broodje moet de juiste ingrediënten bevatten (gecheckte bronnen), je moet weten of het een volkoren of een wit brood is (feiten of meningen) en het moet lang genoeg in de oven hebben gezeten (geen ondoordachte haastklus). Zo wordt het journalistieke broodje gebakken in een open keuken.
De Ombudsman kan zich echter voorstellen dat de luiken van die keuken dichter gaan als er sancties dreigen. Dat er niet meer openlijk en vrijuit gesproken wordt, maar tactisch en formeel. Dat de Ombudsman, en daarmee het publiek, niet meer kan meekijken met wat er gemaakt wordt. Nu al zijn er omroepen die het gesprek met de Ombudsman niet meer aangaan zonder dat er een jurist meekijkt. Iets dat het gesprek niet alleen bemoeilijkt, maar soms zelfs onmogelijk maakt.
Wanneer derden een uitspraak van de Ombudsman gebruiken om eigen stappen te onderbouwen, verandert er iets wezenlijks. Een bevinding van de Ombudsman, die voortkomt uit dat gesprek, is dan niet langer een advies om het in de toekomst beter te doen, maar het eindpunt van een proces met mogelijk grote gevolgen. De Ombudsman wordt dan iets waarvoor hij niet is opgericht: een inhoudelijke toezichthouder. En dat is gevaarlijk voor de journalistiek en de persvrijheid. Want dan draait het niet langer om hoe de journalistiek beter kan, maar puur om de vraag of iets goed of fout is.
Het onderzoek van de Ombudsman
De basis voor elk onderzoek van de Ombudsman is de Code Journalistiek Handelen, een set afspraken die de dertien landelijke publieke omroepen gezamenlijk hebben ondertekend. Deze journalistiek-ethische spelregels zijn afgeleid van bestaande professionele normen over wat je van een journalist en een redactie mag verwachten. De code is daarmee niet alleen een kompas voor redacties zelf, maar biedt het publiek ook houvast: het maakt zichtbaar welke afspraken gelden voor de voorbereiding en uitvoering van een journalistiek programma.
De Ombudsman gebruikt de code als maatstaf bij het behandelen van klachten van het publiek. Zij verricht dit onderzoek volledig onafhankelijk van de omroepen, en beoordeelt klachten uitsluitend op basis van journalistieke normen en feiten. Dat kan bijvoorbeeld gaan over het inwinnen van wederhoor of over de vraag of er duidelijk onderscheid is gemaakt tussen feiten, beweringen en meningen. Een mening uiten mag, ook in een journalistiek programma, zolang voor het publiek maar duidelijk is dát het om een mening gaat. Als daar mogelijk verwarring over kan ontstaan, is het de taak van de journalist om verduidelijkende vragen te stellen of zelf expliciet te maken wat wel en niet te bewijzen valt.
De Ombudsman krijgt ook klachten over de inhoud van programma’s waar de klager het principieel mee oneens is. Maar het simpele feit dat je het ergens niet mee eens bent, maakt een uitzending nog niet journalistiek onjuist. Ook de aanwezigheid van een geïnterviewde of gast van wie je vindt dat die niet aan het woord zou moeten komen, is op zichzelf geen journalistieke fout. Dat valt binnen de redactionele autonomie: redacties bepalen zelf welke stemmen zij laten horen en welke onderwerpen zij behandelen.
De Ombudsman zal een omroep dan ook niet aanspreken op het hebben of uitdragen van een mening. In het geval van ledenomroepen is het zelfs een wettelijke taak om een herkenbaar profiel te hebben en hun achterban te vertegenwoordigen. Dat is op zichzelf geen reden voor onderzoek door de Ombudsman, zolang voor het publiek maar helder blijft waar de mening ophoudt en de feiten beginnen.
Soms zijn er bij het publiek vragen over de feiten zelf. Klopt eigenlijk wel wat er beweerd wordt? Als niet duidelijk is waar feiten vandaan komen of waarop bepaalde beweringen gebaseerd zijn, is het voor de Ombudsman soms noodzakelijk om zelf op zoek te gaan naar die feiten. In de Code Journalistiek Handelen is immers vastgelegd dat omroepmedewerkers waarheidsgetrouw berichten, dat de informatie klopt en dat producties controleerbaar zijn en worden gecheckt. Als iets aantoonbaar niet klopt in een journalistieke productie dan heeft het publiek het recht om dat te weten.
De 'grijze' wereld van de journalistiek
Journalistiek is niet juridisch. Waar een rechter vaak moet kiezen tussen schuldig of onschuldig, beweegt de journalistiek zich veel vaker in grijs gebied. Er is speelruimte in de verhalen zelf, maar ook in de ethische spelregels. Zo is filmen met een verborgen camera strikt genomen niet toegestaan volgens de Code Journalistiek Handelen, maar wie dieper kijkt, ziet de logische uitzonderingen. Sommige verhalen zijn nu eenmaal niet te maken met het zogenoemde Open Vizier uit de code.
Juist die ruimte voor context en nuance is essentieel voor de journalistiek. Een journalist moet zo nu en dan buiten de lijntjes kunnen kleuren om dingen boven water te krijgen. En dat mag ook zolang hij maar kan uitleggen waarom die extra ruimte nodig was, en bereid is het publiek mee te nemen in de werkwijze en het waarom daarachter.
Zelfregulering werkt echter alleen als redacties echt bereid zijn te leren van de bevindingen van de Ombudsman en daar zichtbaar consequenties aan verbinden. Zolang aanbevelingen vrijblijvend worden weggezet, groeit de verleiding voor politiek en toezichthouders om strakker in te grijpen, met wettelijke middelen. Juist daarom is het in het belang van de omroepen zelf om de analyses van de Ombudsman serieus te nemen, ook wanneer een oordeel schuurt of men het er inhoudelijk niet mee eens is.
Slot
De Ombudsman pleit niet voor het inperken van de sanctiemogelijkheden van andere instanties. Want, zoals al eerder gezegd, daar gaan wij niet over. Wel pleit de Ombudsman voor het bewaken van de ruimte waarin het journalistieke gesprek gevoerd kan worden: open, direct en zonder de schaduw van een bonnenboekje. Die ruimte bewaken kan de Ombudsman alleen vanuit zijn onafhankelijke positie: niet als verlengstuk van de omroepen, niet als instrument van politiek of toezichthouders, maar als brug tussen redactie en publiek.
De sleutel ligt bij de redacties en omroepen. Zelfregulering werkt alleen als die serieus genomen wordt. Dat betekent: iets doen met de aanbevelingen van de Ombudsman, ook als ze schuren en ook als men het er niet mee eens is. Niet omdat de Ombudsman dat eist, maar omdat dit essentieel is om het vertrouwen van het publiek te behouden en te versterken. Dat vertrouwen is de basis voor de bereidheid van mensen om publieke journalistiek te blijven opzoeken en gebruiken. Als dat vertrouwen verdwijnt, verliest de journalistiek niet alleen haar geloofwaardigheid, maar ook haar relevantie. De beste garantie tegen een bonnenboekje van buitenaf is een redactie die zichzelf de vraag durft te stellen of haar brood goed gebakken is en bereid is het antwoord op die vraag te delen.
